Prinsesje

Judith heeft een kast vol kleren, maar het liefst draagt ze elke dag hetzelfde rokje: een exemplaar van donkerblauwe voile met witte stippeltjes. En dat niet omdat ze die kleur nou speciaal mooi vindt of erg blij wordt van stippeltjes, maar omdat ze ervan overtuigd is dat dit een echt prinsessenrokje is.

Onze jongedame is niet de enige die zichzelf graag als prinses uitdost. Op de Kindergarten zie ik regelmatig kindjes rondlopen met een verkleedjurk aan, kroontje op hun hoofd, hakschoentjes aan… Waarschijnlijk doen zelfs echte prinsessen dat. Want “prinses zijn” heeft niets te maken met je maatschappelijke status, maar met mooi zijn, je optutten en parmantig door het huis lopen.

Af en toe worden wij er een beetje cynisch van als we op een snibbig toontje horen zeggen: “Nee! Ik is een prinses!”. Want de prinses gedraagt zich soms meer als een kenau dan als een lieflijke welopgevoede jongedame. Het idee dat adeldom verplicht, is nog niet geland. Datzelfde geldt ook voor onze hedendaagse ridder trouwens; die houdt wel van stoer doen en met een zwaard in het rond slaan, maar kijkt glazig als je begint over het beschermen van de zwakkeren en het opkomen voor recht in het samenleving (zelfs als je dat in kindertaal verwoordt).

Tot zover onze kinderen met hun rollenspel. Afgelopen zondag kregen wij zelf een lesje over dit onderwerp, aan de hand van de geschiedenis van de blinde Bartimeüs. Zijn naam betekent “zoon van de hoog geëerde”, maar die identiteit ging volkomen schuil achter zijn blind-zijn en de bijbehorende maatschappelijke status als bedelaar. Hij werd beschouwd als een bar-ti-mè, Aramees voor “onreine”. Zijn leven was dus een tegenspraak. Maar doordat juist deze blinde een helder zicht had op Jezus en Hem herkende als de lang beloofde Zoon van David, de Zoon van de hoogst geëerde, werd hij genezen. Door geloof in Jezus werd hij een echte “Bartimeüs”, een kind van God. Hij legde zijn bedelaarsmantel af en volgde Jezus op de weg – op Zijn weg naar het kruis. Hij liet zijn oude leven achter zich en droeg nu zijn ware identiteit als zoon van de hoogst geëerde.

Dat is een les om over na te denken. Zien wij Jezus zoals Hij echt is? Wat is onze ware identiteit? Bekleden we ons met de Heere Jezus Christus (Romeinen 13:14)? Zijn wij ons ervan bewust dat we door het geloof kinderen van God zijn – prinsen en prinsessen? En leven we daar ook naar, of is ons leven een tegenspraak?

Dietrich Bonhoeffer schreef hierover een prachtig gedicht.

Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich träte aus meiner Zelle
gelassen und heiter und fest,
wie ein Gutsherr aus seinem Schloß.
Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich spräche mit meinen Bewachern
frei und freundlich und klar,
als hätte ich zu gebieten.

Wer bin ich? Sie sagen mir auch,
ich trüge die Tage des Unglücks
gleichmütig lächelnd und stolz,
wie einer, der Siegen gewohnt ist.

Bin ich das wirklich, was andere von mir sagen?
Oder bin ich nur das, was ich selbst von mir weiß?
Unruhig, sehnsüchtig, krank, wie ein Vogel im Käfig,
ringend nach Lebensatem, als würgte mir einer die Kehle,
hungernd nach Farben, nach Blumen, nach Vogelstimmen,
dürstend nach guten Worten, nach menschlicher Nähe,
zitternd vor Zorn über Willkür und kleinlichste Kränkung,
umgetrieben vom Warten auf große Dinge,
ohnmächtig bangend um Freunde in endloser Ferne,
müde und leer zum Beten, zum Denken, zum Schaffen,
matt und bereit, von allem Abschied zu nehmen?

Wer bin ich? Der oder jener?
Bin ich denn heute dieser und morgen ein andrer?
Bin ich beides zugleich? Vor Menschen ein Heuchler
Und vor mir selbst ein verächtlich wehleidiger Schwächling?
Oder gleicht, was in mir noch ist, dem geschlagenen Heer,
das in Unordnung weicht vor schon gewonnenem Sieg?
 
Wer bin ich? Einsames Fragen treibt mit mir Spott.
Wer ich auch bin, Du kennst mich, Dein bin ich, o Gott!


(uit: Dietrich Bonhoeffer. Widerstand und Ergebung)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *