Entschuldigung!

Het floept er zomaar uit: “Entschuldigung!”, “Sorry!”. Soms zelfs iets té gemakkelijk naar onze smaak, als de bijbehorende schuldbewuste blik wel erg ver te zoeken is. Maar eigenlijk is het een raar woord, als je erover nadenkt.

Ver-ont-schuld-iging betekent dat de schuld die bestaat, weggenomen wordt. Het lijkt ons logisch dat je dan als schuldige partij vraagt om verontschuldiging. Maar in het Nederlands bied je juist je verontschuldigingen aan als je iets vervelends uitgespookt hebt! Of je biedt je excuses aan, maar dat is net zo raar. Je biedt namelijk je excuses aan als je geen excuus had voor hetgeen je deed. Als je wel een goed excuus had, hoef je het niet meer aan te bieden – misschien kan je dat dan bewaren voor de volgende gelegenheid waarbij je wel echt fout zat ofzo?!?

In het Duits heb je dus het woord “Entschuldigung”. Dat roep je zodra er iets mis is gegaan, of als je iemand wilt vragen opzij te gaan bijvoorbeeld. In het Frans zeg je dan “pardon”, volgens mij is dat hetzelfde. Je roept dat woord alsof je het ter plekke uitdeelt, maar feitelijk is het een Bitte um Entschuldigung. Je vraagt dus eigenlijk: “Verontschuldig me alsjeblieft”. Misschien moeten we het een beetje meer timide laten klinken, alsof de aangesprokene werkelijk nog de keuze heeft om je te verontschuldigen of niet… In de praktijk klinkt het vaker alsof de “schuldige” de andere aanwezigen botweg voor het blok zet.

Ergens is er dus iets mis gegaan. Onze voorouders waren zich er diep van bewust dat ze in het krijt stonden als er iets mis was gegaan, en vroegen nederig om vergeving. Wij hebben dat besef verloren. We bieden onze verontschuldigingen of onze excuses aan, en klaar zijn we. “Sorry mam!” – en floep, we zijn de deur uit. “Sulligung!”, en we kunnen weer door. Vind je het gek dat we onze kinderen onbeleefd vinden? We leren ze zelf geen goede woorden meer aan. Misschien moeten we gewoon terug naar “Het spijt me”. Dat is taalkundig tenminste duidelijk.

Nu het bijbehorende schuldbesef nog, en het voornemen om het voortaan beter te doen. Dat kon nog wel eens de grootste klus zijn. Want uiteindelijk wordt ons gedrag waarschijnlijk niet bepaald door onze woordenschat, maar hollen onze uitdrukkingen uit door onze eigen laksheid. Ontbrekende woorden zijn geen geldig excuus voor ons ontbrekende schuldgevoel. Hè, wat spijt het me om dat te horen… [Verdraaid. Spijt is ook al niet eenduidig… Ik geef het op. Sorry.]

9 jaar getrouwd

Jaja, wij zijn alweer negen jaar getrouwd! Gistermorgen kreeg ik daarom een heerlijk ontbijtje op bed – ideaal dat het zondag was en we niet zo vroeg ons nest uit hoefden 🙂 Vervolgens hebben we samen met de kinderen ons trouwalbum bekeken. Geweldig leuk natuurlijk om te zien hoe papa er op zijn trouwdag uitzag, en dat mama mooi “versierd” was. Judith was wel een beetje verontwaardigd dat zij niet bij dat feestje uitgenodigd was. Ze zag allemaal bekende gezichten op de foto’s, ballonnen, een heerlijke bruidstaart, mooie jurken… Maar geen Hannah, Boaz of Judith! Flauw hoor…

Gelukkig krijgen ze binnenkort een soort goedmakertje. In juni hopen hun oom en tante te trouwen, en dan mogen ze wel gezellig mee. Mét deftige kleren aan en misschien ook wel zo’n mooie corsage op. Maar juni duurt nog even – eerst komt er nog sneeuw (hopelijk!), dan is Hannah aan de beurt om jarig te zijn, daarna Boaz, en dán is het eindelijk zover. Nog een poosje geduld dus…

Prinsesje

Judith heeft een kast vol kleren, maar het liefst draagt ze elke dag hetzelfde rokje: een exemplaar van donkerblauwe voile met witte stippeltjes. En dat niet omdat ze die kleur nou speciaal mooi vindt of erg blij wordt van stippeltjes, maar omdat ze ervan overtuigd is dat dit een echt prinsessenrokje is.

Onze jongedame is niet de enige die zichzelf graag als prinses uitdost. Op de Kindergarten zie ik regelmatig kindjes rondlopen met een verkleedjurk aan, kroontje op hun hoofd, hakschoentjes aan… Waarschijnlijk doen zelfs echte prinsessen dat. Want “prinses zijn” heeft niets te maken met je maatschappelijke status, maar met mooi zijn, je optutten en parmantig door het huis lopen.

Af en toe worden wij er een beetje cynisch van als we op een snibbig toontje horen zeggen: “Nee! Ik is een prinses!”. Want de prinses gedraagt zich soms meer als een kenau dan als een lieflijke welopgevoede jongedame. Het idee dat adeldom verplicht, is nog niet geland. Datzelfde geldt ook voor onze hedendaagse ridder trouwens; die houdt wel van stoer doen en met een zwaard in het rond slaan, maar kijkt glazig als je begint over het beschermen van de zwakkeren en het opkomen voor recht in het samenleving (zelfs als je dat in kindertaal verwoordt).

Tot zover onze kinderen met hun rollenspel. Afgelopen zondag kregen wij zelf een lesje over dit onderwerp, aan de hand van de geschiedenis van de blinde Bartimeüs. Zijn naam betekent “zoon van de hoog geëerde”, maar die identiteit ging volkomen schuil achter zijn blind-zijn en de bijbehorende maatschappelijke status als bedelaar. Hij werd beschouwd als een bar-ti-mè, Aramees voor “onreine”. Zijn leven was dus een tegenspraak. Maar doordat juist deze blinde een helder zicht had op Jezus en Hem herkende als de lang beloofde Zoon van David, de Zoon van de hoogst geëerde, werd hij genezen. Door geloof in Jezus werd hij een echte “Bartimeüs”, een kind van God. Hij legde zijn bedelaarsmantel af en volgde Jezus op de weg – op Zijn weg naar het kruis. Hij liet zijn oude leven achter zich en droeg nu zijn ware identiteit als zoon van de hoogst geëerde.

Dat is een les om over na te denken. Zien wij Jezus zoals Hij echt is? Wat is onze ware identiteit? Bekleden we ons met de Heere Jezus Christus (Romeinen 13:14)? Zijn wij ons ervan bewust dat we door het geloof kinderen van God zijn – prinsen en prinsessen? En leven we daar ook naar, of is ons leven een tegenspraak?

Dietrich Bonhoeffer schreef hierover een prachtig gedicht.

Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich träte aus meiner Zelle
gelassen und heiter und fest,
wie ein Gutsherr aus seinem Schloß.
Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich spräche mit meinen Bewachern
frei und freundlich und klar,
als hätte ich zu gebieten.

Wer bin ich? Sie sagen mir auch,
ich trüge die Tage des Unglücks
gleichmütig lächelnd und stolz,
wie einer, der Siegen gewohnt ist.

Bin ich das wirklich, was andere von mir sagen?
Oder bin ich nur das, was ich selbst von mir weiß?
Unruhig, sehnsüchtig, krank, wie ein Vogel im Käfig,
ringend nach Lebensatem, als würgte mir einer die Kehle,
hungernd nach Farben, nach Blumen, nach Vogelstimmen,
dürstend nach guten Worten, nach menschlicher Nähe,
zitternd vor Zorn über Willkür und kleinlichste Kränkung,
umgetrieben vom Warten auf große Dinge,
ohnmächtig bangend um Freunde in endloser Ferne,
müde und leer zum Beten, zum Denken, zum Schaffen,
matt und bereit, von allem Abschied zu nehmen?

Wer bin ich? Der oder jener?
Bin ich denn heute dieser und morgen ein andrer?
Bin ich beides zugleich? Vor Menschen ein Heuchler
Und vor mir selbst ein verächtlich wehleidiger Schwächling?
Oder gleicht, was in mir noch ist, dem geschlagenen Heer,
das in Unordnung weicht vor schon gewonnenem Sieg?
 
Wer bin ich? Einsames Fragen treibt mit mir Spott.
Wer ich auch bin, Du kennst mich, Dein bin ich, o Gott!


(uit: Dietrich Bonhoeffer. Widerstand und Ergebung)

Op verlof

Deze week grapten Johan en ik tegen elkaar: we zijn net zendelingen op verlof. “Dit is geen vakantie, we zijn nog drukker dan normaal!” We hadden dan ook welgeteld één week de tijd om al onze ouders, broers en zussen, opa’s en oma’s en een aantal vrienden op te zoeken. En tussendoor moesten zowel Johan als ik een dag op pad voor ons werk – Johan naar Nijmegen en ik naar het kantoor van GlobalRize in Oldebroek. We bekeken nieuwe huizen van familie, we praatten bij over allerlei nieuwtjes en toekomstplannen, de kinderen crossten op skeltertjes de camping over en redden een schaap dat in de sloot dreigde te vallen…

Pfoe

Maar het was heel fijn! Het was al weer een heel tijdje geleden dat we in Nederland geweest waren, en hoewel een aantal mensen ons tussendoor in Bad Krozingen had opgezocht, is dat natuurlijk niet voor iedereen haalbaar. Extra leuk om dan nu weer eens op bezoek te gaan. Dat kon ook relatief makkelijk omdat we met de auto waren. Die heeft z’n kilometertjes wel weer gemaakt deze week! En z’n kilootjes bagage vervoerd. Overal waar we kwamen, lag er wel iets klaar wat écht mee moest: een boek voor mijn verjaardag, een spelletje voor de kinderen, boeken om te lenen, een stapeltje bewaarde tijdschriften… En vooral VEEL pepernoten, ranja en pindakaas. Het bericht dat deze producten niet in Bad Krozingen verkrijgbaar zijn, is kennelijk wijd en zijd doorgedrongen.

Dus bij dezen: lieve mensen, we zijn rijkelijk voorzien voor de rest van dit jaar, en waarschijnlijk kunnen we zelfs tot de zomervakantie of nog langer vooruit 😉 🙂 Mogelijk komen we in de kerstvakantie weer naar Nederland met de trein, maar het is werkelijk onmogelijk om dan weer een zelfde hoeveelheid cadeautjes mee naar huis te slepen. Dus houd het bij gezelligheid en iets lekkers bij de thee tijdens ons “verlof” zelf 😉 Want net als echte zendelingen vinden we dat het leukst: even weer lekker “thuis” zijn bij onze familie en vrienden. Het was gezellig, bedankt allemaal!