Drie

Onze jongste is zaterdag drie jaar geworden. Ze moet er zelf nog even aan wennen. Halverwege haar verjaardag kwam ze een beetje aarzelend naar me toe: “Mama, wat ben ik?” Ik keek haar wat bevreemd aan, en ze probeerde het nader uit te leggen: “Wat jije zei in de keuken”. Aha, toen begon het te dagen. Johan had geprobeerd haar te leren dat ze “drie” is, en daarbij ook het juiste aantal vingers op te steken. Maar ze was het goede woord kennelijk toch weer even vergeten. Toen ik het nog eens had voorgezegd stoof ze enthousiast naar haar verjaardagsvisite: “Ik is drie! Ik is nu drie!” 🙂

Wat een feest toch hè, zo’n verjaardag. En het leukste van alles was dat ze maandag mocht trakteren op de Kindergarten. We hadden samen chocolade-cupcakejes gemaakt, en daar had ik met botercrème wat gekleurde spikkeltjes en figuurtjes op geplakt. Mevrouwtje was er helemaal tevreden mee – maar aan het eind van de dag vond ik nog 3/4 cakeje in haar broodtrommel terug. “Ik vonne cakeje niet lekker!” Hmmmm. Het enthousiasme ging kennelijk meer om de mooie spikkeltjes dan om de cupcakejes. Maar het idee van een verjaardag en van trakteren blijft speciaal.

En ook cadeautjes krijgen blijft leuk. Verschillende mensen hadden vooraf al een kaart of een cadeautje bij ons laten bezorgen, en die hadden we natuurlijk allemaal zorgvuldig weggestopt tot Judiths verjaardag. Daardoor had ze ’s morgens vroeg een hele verzameling om open te maken en te bewonderen. Ze is gelukkig nog op de leeftijd dat ze zelfs van een paar nieuwe sokken razend enthousiast kan worden 😉 dus ze was helemaal in haar nopjes.

Maar jarig zijn is ook ontzettend vermoeiend. De volgende dag was onze grote meid helemaal afgedraaid, waardoor ze ’s middags een uitgebreide tuk deed. En vervolgens ’s nachts weer wakker was, en de volgende dag on-ge-loof-lijk chagrijnig. Gelukkig heeft ze nog bijna een jaar om weer bij te komen…

Øllebølle

Uuuuhh? Uhllebuhlle? Wablief? Een vriend uit de gemeente vertelde enthousiast over een echt Nederlandse lekkernij die hij zich herinnerde van een vakantie “rond Sylvester” aan de Noordzeekust. Aha. Wie Sylvester is mag Joost weten, maar onze beste vriend bedoelt natuurlijk gewoon oliebollen.

Dat oliebollen gewoon in olie gebakken deegbolletjes zijn was nog niet tot hem doorgedrongen. Dat “Øll” in øllebølle, dat heeft vast met “oud” te maken. En dan zijn dat vast bolletjes die je eet om oud-en-nieuw te vieren. Net als nieuwjaarskoeken. Ja dat klopt, maar het woord zit toch net even anders in elkaar.

Nog zoiets leuks. Onlangs was er iemand die vol enthousiasme vertelde dat hij die Nederlandse Goeda kaas zo lekker vindt. Elke keer als ze naar Zeeland op vakantie gaan om te genieten van zee en strand en “doenen”, dan smullen ze ook van Goeda-kaas. Waarop wij vroegen: “Zijn jullie dan ook al eens naar de kaasmarkt in Gouda geweest?” Hij staarde ons vol onbegrip aan. Dat er op anderhalf uur rijden van hun vakantieoord een stad was die vernoemd is naar die heerlijke kaas (uhh, wacht, andersom natuurlijk) dat was nog nooit in hem opgekomen. Mocht u volgend jaar een Duitse toerist met een grote glimlach en een paar kilo kaas door Gouda zien lopen, doe hem dan de groeten van ons.

Patronen

Van de week zat Hannah aan tafel en concludeerde heel filosofisch: “Mama, ik weet wat er met mij aan de hand is. Ik denk in patronen”. Nou, dat klopt. Ze vindt het bijvoorbeeld leuk om een patroon uit te vogelen omtrent onze tafelindeling. Het liefst heeft ze dat alle jongens naast elkaar zitten en daarna alle meisjes, of alle gasten aan de ene kant en ons eigen gezin aan de andere kant, of dat we precies om en om zitten. Als dat niet het geval is, heeft ze een probleem en moet ze een ingewikkelder patroon verzinnen zodat het toch weer klopt. (Gelukkig is ze niet zo neurotisch dat ze hier elke dag mee bezig is hoor, maar het komt regelmatig naar voren). Ik deed dat vroeger ook; ik ging bijvoorbeeld altijd zo de trap op dat m’n rechtervoet op die treden kwam waar links een noest zat, en m’n linkervoet op die treden waar rechts een noest zat. Waar je al niet op let, nietwaar… Kennelijk verveelde ik me toentertijd ofzo.

Toch vond ik het best knap van Hannah dat ze haar eigen gekkigheden kon abstraheren en dus tot de conclusie kwam dat ze graag in patronen denkt. Tot ik de volgende dag aan de thee zat bij één van haar leraressen, die me vertelde dat haar laatste les kunst over dit onderwerp ging. Ze hadden het gehad over patronen die je om je heen ziet, en vervolgens mochten ze met kastanjes en andere “schatten” een mooi patroon maken in het gras. Dat laatste had Hannah wel enthousiast verteld, maar dat werd samengevat tot “we mochten lekker buiten spelen met kastanjes en takjes”. Maar de essentie van de les was kennelijk toch ergens doorgedrongen, en brengt daar zelfreflectie op gang.

Een ander soort patronen dat mij deze week aardig heeft beziggehouden, zijn naaipatronen. Hannah groeit kennelijk nogal hard, dus veel van haar winterkleren zijn te klein geworden. Een deel van dat probleem heb ik gewoon lekker makkelijk opgelost door naar de winkel te gaan en daar wat kleren uit een rek te plukken, maar zelf naaien heeft toch ook z’n voordelen. Bijvoorbeeld dat je kleren een beetje kunt aanpassen aan je kind, zodat een jurk die qua wijdte goed zit ook een acceptabele lengte heeft. Zo ontwijk ik meteen ook de levensgrote Disneyfiguren of andere niet-helemaal-mijn-smaak prints. En ik weet zeker dat er geen kinderarbeid te pas komt aan het naaien van die kleding – 99% doe ik zelf en als er al meegeholpen wordt door een kind is dat voor 200% haar eigen idee en conflicteert het niet met haar kansen op gedegen onderwijs 😉

Ik heb dus m’n geliefde doosje met patroonbladen weer voor de dag gehaald en één en ander in elkaar gesleuteld. Want uiteraard wil ik nu iets met lange mouwen, en de helft van mijn patronen was eigenlijk voor de zomer bedoeld, en natuurlijk wil ik niet drie keer exact dezelfde jurk maken dus verzin ik er soms weer iets bij aan of laat ik iets weg. Bovendien heeft dochterlief zelf soms de meest curieuze wensen die ik toch ook een beetje probeer mee te nemen (zoals een grote geheime zak waar ze kastanjes in kan bewaren om er vervolgens jongens uit haar klas mee te bekogelen). En ik vind een naaiproject eigenlijk pas creatief als je “het doet met wat je hebt” – dat is tegenwoordig zelfs best in de mode geloof ik. Natuurlijk haal ik ook wel eens gewoon een lap stof bij de lokale stoffenwinkel, maar ik vond ook nog een lap die ik van iemand anders gekregen had en die al jaren had liggen wachten tot ‘ie eindelijk het daglicht eens mocht zien. Het was te weinig voor een complete jurk, maar de stoffenwinkel had nog iets liggen dat er goed bij paste en zo heb ik uit die oude lap en een restje van de winkel een heuse “jas van Jozef” gefreubeld – dat was Hannahs eerste reactie omdat er nogal wat kleurtjes in zaten en het zo’n model is met knopen van boven tot onder. Dat vind ik gewoon echt leuk, vooral als ik dan maar liefst 8 knopen nodig heb en net zo lang door mijn voorraad kan zoeken tot ik 8 passende exemplaren heb opgeduikeld. De meeste mensen vinden het waarschijnlijk volslagen idioot om een paar honderd knopen te hebben liggen als je nog helemaal niet weet waarvoor je ze gaat gebruiken, maar ik vind dat heerlijk. En ik gebruik ze ook echt 😉

En die knoopjes worden ook door onze jongste dame gewaardeerd. Waarschijnlijk vooral omdat het geen speelgoed is en ik niet wil dat zij mijn knoopjes overal rondstrooit, maar ook omdat je er… patronen in kunt ontdekken. Sorteren op kleur, sorteren op grootte, sorteren op het aantal gaatjes dat ze hebben… Liefst natuurlijk allemaal gelijktijdig, maar zo homogeen is mijn ratjetoe niet. Misschien is dat een mooie levensles: je kunt nog zoveel patronen willen ontdekken in het leven, maar ergens houdt het op. Je kunt niet alles in een stramien persen. Sommige dingen “kloppen” nu eenmaal niet, maar gebeuren toch.

Maar eerlijk is eerlijk; daarvoor hebben we die knoopjes eigenlijk helemaal niet nodig. Dat wordt al meteen duidelijk als je bij ons door de gang loopt en een wasrek ziet staan met 5 eenzame, allemaal verschillende, overgebleven sokken eraan. Ooit waren dat allemaal keurige setjes, maar gaandeweg verdwijnen er gek genoeg exemplaren. Zomaar, spontaan, zonder enig herkenbaar patroon. Gelukkig duiken ze soms ook weer op. Even spontaan en willekeurig – maar niettemin hartelijk welkom. Tot die tijd laat ik de eenzame sokken gewoon lekker hangen, en zijn de knoopjes veilig weggestopt in de kast.

Goudmijn

De grootste ergernis als wij bezoek krijgen, is het gebrek aan parkeergelegenheid in onze wijk. Openbare parkeerplaatsen zijn zeer schaars, langs de straat parkeren is verboden en wordt meerdere keren per dag beboet, en dus ben je aangewezen op je eigen privé-parkeerplaats. Alle moderne appartementencomplexen en hotels hebben daarom een ondergrondse garage, met ook een paar plekjes voor bezoek. Maar ons huis heeft dat niet. Zelfs voor de eigen bewoners zijn er te weinig plaatsen – een deel moet uitwijken naar de ondergrondse garage van de overburen. Maar in plaats van een parkeergarage heeft ons huis iets heel speciaals. Een ondergrondse goudmijn.

In deze omgeving zijn wel meer mijnen, hoewel ze nu grotendeels buiten gebruik zijn. Er werd onder andere gegraven naar ijzererts, zilver, koper en lood. Verschillende van deze “Bergwerke” zijn ook te bezoeken – dat staat nog op ons wensenlijstje voordat we in de toekomst weer naar Nederland willen verhuizen. Maar die mijn van ons is dus iets bijzonders. Meerdere keren per week breng ik daar een tobbe vol vuile was heen, en een poosje later komt het schoon weer omhoog. Toen de zomer begon, kwamen er ineens waterpistolen tevoorschijn en op het juiste moment ook een slaapzakken, luchtbedden en een gasbrandertje voor ons kampeer-avontuur. Nu de kou in de lucht hangt, vond ik er alvast warme sneeuwbroeken en winterjassen. Vooral Judith staat regelmatig te juichen als er weer nieuwe “schatten” bovengronds worden gehaald. Shirtjes, rokjes, jurkjes, vandaag zelfs een paar schoenen… van alles blijkt daar voorhanden te zijn, onvermoede rijkdommen die ze maar wát graag een plekje geeft in haar kast. We hebben er zelfs wel eens een splinternieuwe fiets gevonden – precies op tijd voor Boaz’ verjaardag. En zoals het een echte mijn betaamt, zijn er ook bijna fossiel geworden herinneringen aan het verleden. Dan bedoel ik niet de versleten tegeltjes die duidelijk al wat verbouwingen hebben doorstaan, maar een grote doos met “jeugdherinneringen” erop geschreven. Daarin liggen de kleurplaten en knutselwerkjes uit onze kindertijd te verstoffen tot ze weer eens worden opgediept. Om dan als echte schatten te worden bewonderd, en vervolgens opnieuw in hun doos te verdwijnen.

In volwassen ogen hebben we natuurlijk gewoon een heel saaie, praktische kelder die amper compenseert voor het gebrek aan parkeerplaatsen. Maar in kinderogen is die ondergrondse schatkamer iets heel bijzonders. Wij slapen boven een goudmijn 🙂

Over radicale idealen en vrije groepen

Wiskunde lijkt altijd zo abstract, los van de dagelijkse werkelijkheid. Het zweeft bijvoorbeeld ergens in de 38e dimensie – en daar bevind ik me doorgaans niet. Maar in een gesprekje met Johan kwamen we erachter dat er toch best wat “alledaagse” en begrijpelijke zaken zijn waar ook wiskundigen hun hoofd over breken (maar dan anders).

Toen ik zwanger was van onze eerste spruit, werd ik daar natuurlijk nogal door in beslag genomen. Als ik al aan iets anders dacht, dan enkel tot de volgende vlaag misselijkheid zich aankondigde. In die periode begeleidde Johan een vak over Galois-theorie, waarin de term “eindige separabele lichaamsuitbreiding” gebruikt werd. En zo waren we dus beiden met dezelfde thematiek bezig! Want mijn buikje breidde zich gestaag uit, maar bleef gelukkig binnen eindige grenzen. En de lichaamsuitbreiding bleek tot mijn vreugde separabel – anders had ik er nu nog steeds mee rondgelopen…

Ook een geliefd vrouwen-onderwerp: “een perfect lichaam”. Niemand heeft het, maar velen zijn ernaar op zoek. In de wiskunde is hiervoor een oplossing voorhanden: per definitie is een lichaam perfect als iedere eindige lichaamsuitbreiding separabel is. Vrij vertaald: zolang alles wat er aankomt er ook weer af kan, is alles oké. (Dat brengt de realiteit van een “perfect lichaam” misschien nog niet helemaal binnen handbereik, maar het biedt hoop).

Soms wordt wiskunde ook echt gevaarlijk. Dat heeft alleen niemand door, dat gebeurt achter de schermen van grote beurzen en op de achtergrond van invloedrijke algoritmes – of misschien bij berekeningen omtrent de nieuwste atoombommen of iets dergelijks. Tegelijkertijd zijn er een paar leuke anekdotes over wiskundigen die onterecht werden aangezien voor staatsgevaarlijke personen, puur door hun woordkeus.
In de wiskunde is een “vrije groep” een groep waarin geen relaties zijn. Zelmanov schreef daarover een boek, en werd prompt op het matje geroepen door de KBG. Vrije groepen waren ongewenst, en daarover boeken te schrijven was dus geen goed idee.
Twee andere wiskundigen waren onderweg van een conferentie naar huis, en raakten op het vliegveld in de problemen toen ze praatten over “blowing up a plane in eight points”. Wilden ze het vliegtuig opblazen?!? Welnee, ze bespraken alleen een meetkundige constructie die toegepast kan worden op een plat vlak. Oplettende medereizigers hadden snel de marechaussee ingelicht, waarna de wiskundigen aan de hand van een artikel dat ze bij zich hadden dit wiskundige concept aan de beveiligingsdiensten mochten uitleggen. Dat heeft ze vast nog een paar zweetdruppeltjes gekost, maar het is goedgekomen.
Soms hebben wiskundigen ook radicale idealen. Niet zozeer over de samenleving, maar in hun ringen – niet hun trouwring, maar een ring van getallen. Volkomen onschuldige bezigheid 🙂

De meeste wiskundige onderwerpen gaan mij al snel boven de pet. Toch zijn veel van die dingen “simpel”, en de constructies die je hiermee kunt bouwen zijn weliswaar iets complexer, maar nog steeds “semi-simpel”. In wiskundige ogen dan.

Maar soms, heel soms, zijn wiskundigen ook echt met heel praktische problemen bezig. Zo is er een volledig boek gewijd aan de vraag op hoeveel verschillende manieren je een stropdas kunt strikken. Het antwoord: 85. Dat is toch fijn om te weten, nietwaar?

Voor de insiders nog een plaatje ter afsluiting. Als je het snapt, is het daadwerkelijk grappig. Als je het niet snapt, had je waarschijnlijk toch al genoeg aan bovenstaande tekst 😉

Vriendinnetje op bezoek

Er was eens een meisje dat een vriendinnetje had. Daar speelde ze ont-zet-tend vaak mee. Het was niet zo heel gek dat deze twee meisjes vriendinnetjes waren, want ze waren nichtjes, ze woonden vlakbij elkaar, ze waren op dezelfde dag jarig, ze zaten in dezelfde klas, gingen naar dezelfde kerk en later naar dezelfde catechisatiegroep en jeugdvereniging.

Toen de meisjes groot waren geworden, gingen ze elk hun eigen weg. De ene kreeg een baan in hun dorp, trouwde met een man uit datzelfde dorp, en samen lieten ze er een huis bouwen. Daar kregen ze ook een dochtertje, en dat is nu een meisje van drie jaar oud.

Het andere meisje ging op kamers om te studeren, trouwde met een vent die overal had gewoond behalve in haar geboortedorp, en kwam na allerlei omzwervingen terecht in een stadje op 700 km van haar familie en vrienden vandaan. Daar groeit dus ook haar dochtertje op, dat is nu een meisje van bijna drie jaar oud.

Zo veel als de “grote” meisjes met elkaar gemeen hadden, zo weinig de “kleine” meisjes: die wonen in een verschillend land, krijgen straks les in een verschillende taal, de ene woont in een vrijstaand huis tussen de weilanden en de ander in een appartement in een kuuroord, de ene is in het voorjaar jarig en de andere in het najaar, ze gaan niet naar dezelfde kerk – voor catechisatie en jeugdvereniging is het nog een beetje te vroeg – en in dezelfde klas zullen ze dus naar alle waarschijnlijkheid niet komen. Het zou eigenlijk heel logisch geweest zijn als deze twee dametjes elkaar nooit ontmoet zouden hebben.

En toch zijn ook deze kleine meisjes deze week dikke vriendinnetjes geworden. De ene is namelijk onze Judith, en het andere meisje kwam met haar mama, opa en oma naar ons toe. Meegetroond door opa Troost, die het wel eens tijd vond worden voor een logeerpartijtje 😉 Het is natuurlijk altijd even afwachten hoe twee zulke peuters met elkaar op kunnen schieten, maar dat ging echt bijzonder goed! De dametjes hadden de grootste lol met de Playmobil en op de trampoline, en ze deden elkaar in van alles na.
“Kom, wij gaanne buiten”
“Jaaa, wij gaan buiten!”
“Doe dan maar even je schoenen aan”
“Nee, ikke niet schoenen aan”
“Ik wil niet schoenen aan”
“Kom mee! Wij gaanne springen!”
“Kom mee! Wij gaat springen!”
En dan zitten ze dus naast elkaar op de trampoline, slap van het lachen om… zichzelf? of elkaar? of gewoon omdat het kan? Ik weet het niet precies, maar het was in ieder geval bijzonder grappig.

Nu is het ene meisje erg moe van alle indrukken, en het andere meisje is weer onderweg naar Nederland, naar haar “eige huis”. Maar er ligt een uitnodiging: als we weer eens logeren bij “onse eige opa”, dan proberen we op bezoek te komen zodat de dames weer lekker samen kunnen spelen 🙂

Spannende verhalen

Hannah had een verzoek voor de volgende Bijbelmomenten: ze wilde nu graag eens een spannend verhaal dat ze nog niet kende. Voor haar idee ging het overal altijd over dingen die ze al lang wist: op school, in de kerk, in de kinderbijbel… Het werd gewoon saai.

Nou, daar konden we wel gehoor aan geven. Het is even langer zoeken naar een knutselwerkje dan bij “David en Goliath” of “Daniël in de leeuwenkuil”, maar verder staan er genoeg gedeelten in de Bijbel die ook voor haar nog nieuwe dingen bevatten. Ik besloot om een paar Bijbelmomenten over de profeten te houden. We hebben eerst kort gepraat over het begrip profeet: wat is dat voor iemand, wat doet hij, welke profeten kennen we uit de Bijbel? Daarna hebben we het boek Ezechiël doorgenomen. Niet helemaal gelezen – dat werd een beetje te gortig – maar ik had een soort samenvatting gevonden die de grote lijn uitlegt, en plaatjes op freebibleimages.org . Een paar perikopen waarvan ik dacht dat ze interessant zouden zijn of dat ze goed de kern van Ezechiëls profetieën weergaven, hebben we samen gelezen.

Er kwam heel wat voorbij dat nieuw was voor onze kinderen. Een visioen over wezens met vleugels en vier koppen, ronddraaiende wielen, een troon van vuur en daarop God Zelf… Ezechiël die meer dan een jaar op zijn ene zij moest liggen en toen nog 40 dagen op z’n andere zij, om uit te beelden hoe lang Israël ontrouw was geweest aan God; de opdracht om z’n haar af te knippen en in delen te verbranden, met het zwaard in stukken te slaan en in de wind weg te laten waaien… Het toppunt was natuurlijk het visioen waar uitgedroogde botten weer tot leven worden gewekt. Eigenlijk zijn die profetenboeken helemaal niet zo “taai” als ze soms lijken 😉 (Al hebben we er nu natuurlijk wel de aansprekendste gedeelten uit genomen).

We sloten af met de tekst uit Ezechiël 36, waar God de uiteindelijke oplossing biedt voor het probleem van Israëls zonde: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.” Dat was weliswaar een beeldspraak die ze al wel kenden, maar die ik te belangrijk vond om over te slaan.

Volgende week wil ik het over Habakkuk gaan hebben. Dat is maar een kort boekje, maar wel een bijzondere: het bevat geen profetieën van Habakkuk tegen het volk Israël of tegen andere volken, maar zijn persoonlijke wanhoopskreten richting God en Gods antwoord daarop, gevolgd door Habakkuks totale verandering die uitloopt in een loflied vol vertrouwen. Ik ben benieuwd wat wij en ons kroost daar van op kunnen steken 🙂

Huiswerk

Nu de school weer begonnen is, komt er ook weer huiswerk mee. Voor Hannah én voor mij, want aan het begin van het schooljaar moeten er soms nog wat nieuwe spulletjes worden aangeschaft (en nee, daar krijg je geen lijstje van, dat hoor je per dag en moet het liefst stante pede worden geleverd). Hannah vindt het wel grappig: “Mama, kijk maar in m’n agenda, er staat weer huiswerk in!” (met een zogenaamd zielig gezicht) “… maar niet voor mij, het is huiswerk voor jou!” (stralende snoet) 🙂

Toch moet ze zelf ook echt weer aan de slag. En dat is best weer even wennen. Het werk op zich is niet te moeilijk, maar ijverig doorwerken is wél heel lastig voor onze meis. En als je om de drie letters afgeleid bent of even gaat verzitten of je boek anders neerzet of… dan maak je natuurlijk ook sneller fouten. En dat is tegenwoordig niet meer zo gemakkelijk recht te poetsen, want ze schrijven nu ook hun huiswerk met vulpen in plaats van potlood. Er zijn dus al héél wat woorden doorgestreept en opnieuw geschreven… We proberen de moed erin te houden en het positief te bekijken: als ze nu tegen haar werkhouding aanloopt en merkt dat alles niet vanzelf gaat, kan ze er al jong aan gaan werken om haar huiswerk beter aan te pakken (en niet zoals haar papa pas na de middelbare school aan dat proces beginnen B-) ) Maar het is een hele klus elke dag.

De jongste twee vinden het woord “huiswerk” nog wel stoer, dus die willen af en toe óók. Leve de prikkaarten, kleurboeken of volg-de-stippellijn-opdrachten. Helaas is ook hun concentratieboog niet enorm 🙂 dus ligt vooral de hele tafel vol met allerlei net-begonnen werk en spel en creatieve therapie – bijvoorbeeld omdat strijkkraaltjes op vormpjes leggen best inspannend is, maar strijkkraaltjes overscheppen van het ene bakje in het andere veel makkelijker gaat. En als er dan weer eens een scheut naast rolt, zeg je snel even “sollie mama!” en ga je vrolijk verder.

En zo komen we bij de laatste soort huiswerk, namelijk de poets- en opruimklusjes die ik zou kunnen doen als de rest het huis uit is. Gelukkig hoef ik daar niet m’n hele ochtend mee te vullen, want naast huiswerk heb ik ook thuiswerk – achter m’n computer met een kopje chocomelk binnen handbereik en een plakje bananencake ernaast. En ik kreeg pas “huiswerk” van Boaz: hij vond het niet helemaal eerlijk dat ik zo vaak aan het naaien was voor mezelf of voor de meiden, maar haast nooit voor hem. Daar heeft hij natuurlijk helemaal gelijk in, want sinds hij heeft leren lopen heb ik nog nooit een broek voor ‘m genaaid en maar zelden een shirt of trui. Nu heb ik dus een heerlijk warme lap fleece met vliegtuigen erop gekocht en daarvan een trui gefabriceerd. Met voorop zo’n grote zak waar hij z’n handen in kan steken. Dat is wel nodig nu, want vanmorgen op de fiets ontdekten we weer dat het “zwetens-koud” was. Erg koud dus 😉 vooral als het ook nog “windert”. Ach ja, zo hebben we ook qua Nederlands nog wat huiswerk te doen…

Naar de Kindergarten

Voor wie het nog niet had meegekregen: onze Judith is deze week begonnen op de Kindergarten. Daarmee is een langgekoesterde wens in vervulling gegaan!

Het systeem van een Kindergarten is hier vrij flexibel. De aankomsttijd is ergens tussen half 8 en 9 uur, net wat voor de ouders goed uitkomt. Kinderen die vroeg aankomen hebben soms een ontbijttrommeltje bij zich, en verder wordt er tot 9 uur vrij gespeeld. Aangezien ik geen speciale reden had om Boaz en Judith de eerste dag vroeg te brengen, wou ik ze gewoon tegen negenen afleveren (zo doen we dat gewoonlijk: samen op pad, Hannah afzetten bij school en dan verder naar de Kindergarten). Maar Judith stond om 8 uur al klaar in de gang 🙂 Jas aan, tas op de rug, alleen haar ene sandaal ontbrak nog. Ik kon het niet over m’n hart verkrijgen om haar dan nog bijna een uur te laten wachten, dus ik heb ze maar wat eerder gebracht 😉

De ophaaltijd is ook flexibel: ofwel tussen kwart over 12 en half 1, ofwel tussen half 2 en 2 uur. Tussen die twee tijden in hebben ze dan nog een gezamenlijk fruitmoment – want middageten doe je pas thuis. Ik dacht in mijn onschuld dat het dan wel een goed idee zou zijn om Judith “vroeg” op te halen omdat het anders wel heel intensief zou zijn meteen. De eerste dag werd dat nog wel geaccepteerd, maar inmiddels heeft ze door dat je “kort” of “lang” kunt blijven, en is mij meegedeeld dat “ikke laaaang blijven, lang spelen”. Goed hoor lieverd… geniet ervan 🙂 En een middagslaapje is voor baby’s, dus dat wil ze ook niet meer. Tjah.

Vooraf vond onze dame het toch nog wel fijn dat Boaz ook naar de Kindergarten gaat. Dat voelde toch lekker vertrouwd denk ik. En wij dachten: dan kan hij haar mooi een beetje helpen als ze er niet uitkomt met haar Duits. Nou, dat was dus niet nodig. Vanavond aan tafel vertelde ze trots: “Ikke zelluf heel goed Duist prate. Ikke juf zeggen: “Ich muss pipi machen!”” Dat is inderdaad een heel nuttig zinnetje, dat juffen tot onmiddellijke actie aanspoort. Ook liedjes zingen vindt ze heel leuk, en ze kon me precies uitleggen dat ze een bewegingsliedje hadden geleerd over je ogen, je oren, je neus en je knieën. Stiekem zijn we wel een beetje trots op onze “beetje grote meis”. Het is geweldig om te zien met hoeveel plezier ze naar de “Kiennekaate” gaat en hoe goed ze zich redt met het Duits. Want vergis je niet: “Ikke kanne zelluf Duist praate! En ikke ook Nelelans praate! Echt!”

🙂

Gebaande paden

Als je in een wandelgids zoekt naar een kindvriendelijke wandeling, vind je vooral geasfalteerde paden met weinig hoogteverschil. Nou, dat is voor onze kinderen dus helemaal fout. Op vakantie hebben we dat al vaak gemerkt, en ook zaterdag weer. We hadden een wandelingetje van krap 5 kilometer uitgezocht, een kwartiertje rijden van ons huis. Onderweg waren er een paar informatiebordjes, en er zou een prehistorische grot te zien zijn. Dat klonk goed! En het was inderdaad een fijne wandeling. Maar dan vooral het stuk van de gebaande paden af…

We parkeerden onze auto in een dorpje en gingen van daaruit tussen de wijngaarden door de “berg” op. Prachtig om te zien in dit seizoen, en een goede aanloop naar ons volgende Bijbelmoment over Jezus als de wijnstok… Je ziet de volle trossen hangen, bijna rijp om geoogst te worden. En van een afstandje vormen al die wijngaarden een mooi geometrisch patroon:

En toch was deze wandeling helemaal niks. Het was zwaar. Het was moeilijk. Judith werd er ziek van. Ze hadden honger. Het was te warm. Het waaide te hard (je moest bijna een veertje opsteken om de wind op te merken, maar toch). De jassen waren moeilijk om mee te slepen. En Judith moest gewoon echt gedragen worden, want haar benen waren zooooo moe.

De reden van alle narigheid? De weg was breed en geasfalteerd.

Echt waar. Zodra de weg overging in een bospad, huppelden de drie avontuurs goedsmoeds vooruit. Moeheid, warmte en ziekte waren plotsklaps vergeten, de wereld was prachtig. Het avontuur lonkte, en in hun fantasie zagen ze de beren en Indianen al achter de struiken zitten loeren. Zelfs als Judith een keer struikelde over een grote steen, stond ze gewoon weer op om dapper verder te gaan.

Onze kinderen zijn gewoon niet geschikt voor gebaande paden. Ik denk stiekem dat ze dat geërfd hebben van hun vader. Die klaagt weliswaar niet als ‘ie over asfalt moet lopen, maar de echte grijns verschijnt pas als hij moet zoeken naar het juiste pad, of van steen naar steen moet springen. Dan komt de berggeit in hem tot leven 😉

Écht leuk werd het, toen we op den duur inderdaad de beloofde grotten vonden. Die lagen natuurlijk niet helemaal direct aan het paadje, maar een paar meter hoger. Dus moesten we op handen en voeten naar boven (en weer naar beneden!), zoekend naar de volgende boomwortel om ons aan vast te houden. We moesten Hannah en Boaz af en toe waarschuwen dat ze dit keer niet gezekerd waren met touwen… Broeken onder de blubber, handen vies – de ultieme bos-belevenis 🙂 En als je kleren dan toch al vies zijn, kan je ook gewoon lekker op de bosgrond gaan zitten om een broodje te picknicken.

Rare snuiters, die kinderen van ons. Maar ergens begrijp ik hun voorkeur wel…