Entschuldigung!

Het floept er zomaar uit: “Entschuldigung!”, “Sorry!”. Soms zelfs iets té gemakkelijk naar onze smaak, als de bijbehorende schuldbewuste blik wel erg ver te zoeken is. Maar eigenlijk is het een raar woord, als je erover nadenkt.

Ver-ont-schuld-iging betekent dat de schuld die bestaat, weggenomen wordt. Het lijkt ons logisch dat je dan als schuldige partij vraagt om verontschuldiging. Maar in het Nederlands bied je juist je verontschuldigingen aan als je iets vervelends uitgespookt hebt! Of je biedt je excuses aan, maar dat is net zo raar. Je biedt namelijk je excuses aan als je geen excuus had voor hetgeen je deed. Als je wel een goed excuus had, hoef je het niet meer aan te bieden – misschien kan je dat dan bewaren voor de volgende gelegenheid waarbij je wel echt fout zat ofzo?!?

In het Duits heb je dus het woord “Entschuldigung”. Dat roep je zodra er iets mis is gegaan, of als je iemand wilt vragen opzij te gaan bijvoorbeeld. In het Frans zeg je dan “pardon”, volgens mij is dat hetzelfde. Je roept dat woord alsof je het ter plekke uitdeelt, maar feitelijk is het een Bitte um Entschuldigung. Je vraagt dus eigenlijk: “Verontschuldig me alsjeblieft”. Misschien moeten we het een beetje meer timide laten klinken, alsof de aangesprokene werkelijk nog de keuze heeft om je te verontschuldigen of niet… In de praktijk klinkt het vaker alsof de “schuldige” de andere aanwezigen botweg voor het blok zet.

Ergens is er dus iets mis gegaan. Onze voorouders waren zich er diep van bewust dat ze in het krijt stonden als er iets mis was gegaan, en vroegen nederig om vergeving. Wij hebben dat besef verloren. We bieden onze verontschuldigingen of onze excuses aan, en klaar zijn we. “Sorry mam!” – en floep, we zijn de deur uit. “Sulligung!”, en we kunnen weer door. Vind je het gek dat we onze kinderen onbeleefd vinden? We leren ze zelf geen goede woorden meer aan. Misschien moeten we gewoon terug naar “Het spijt me”. Dat is taalkundig tenminste duidelijk.

Nu het bijbehorende schuldbesef nog, en het voornemen om het voortaan beter te doen. Dat kon nog wel eens de grootste klus zijn. Want uiteindelijk wordt ons gedrag waarschijnlijk niet bepaald door onze woordenschat, maar hollen onze uitdrukkingen uit door onze eigen laksheid. Ontbrekende woorden zijn geen geldig excuus voor ons ontbrekende schuldgevoel. Hè, wat spijt het me om dat te horen… [Verdraaid. Spijt is ook al niet eenduidig… Ik geef het op. Sorry.]

9 jaar getrouwd

Jaja, wij zijn alweer negen jaar getrouwd! Gistermorgen kreeg ik daarom een heerlijk ontbijtje op bed – ideaal dat het zondag was en we niet zo vroeg ons nest uit hoefden 🙂 Vervolgens hebben we samen met de kinderen ons trouwalbum bekeken. Geweldig leuk natuurlijk om te zien hoe papa er op zijn trouwdag uitzag, en dat mama mooi “versierd” was. Judith was wel een beetje verontwaardigd dat zij niet bij dat feestje uitgenodigd was. Ze zag allemaal bekende gezichten op de foto’s, ballonnen, een heerlijke bruidstaart, mooie jurken… Maar geen Hannah, Boaz of Judith! Flauw hoor…

Gelukkig krijgen ze binnenkort een soort goedmakertje. In juni hopen hun oom en tante te trouwen, en dan mogen ze wel gezellig mee. Mét deftige kleren aan en misschien ook wel zo’n mooie corsage op. Maar juni duurt nog even – eerst komt er nog sneeuw (hopelijk!), dan is Hannah aan de beurt om jarig te zijn, daarna Boaz, en dán is het eindelijk zover. Nog een poosje geduld dus…

Prinsesje

Judith heeft een kast vol kleren, maar het liefst draagt ze elke dag hetzelfde rokje: een exemplaar van donkerblauwe voile met witte stippeltjes. En dat niet omdat ze die kleur nou speciaal mooi vindt of erg blij wordt van stippeltjes, maar omdat ze ervan overtuigd is dat dit een echt prinsessenrokje is.

Onze jongedame is niet de enige die zichzelf graag als prinses uitdost. Op de Kindergarten zie ik regelmatig kindjes rondlopen met een verkleedjurk aan, kroontje op hun hoofd, hakschoentjes aan… Waarschijnlijk doen zelfs echte prinsessen dat. Want “prinses zijn” heeft niets te maken met je maatschappelijke status, maar met mooi zijn, je optutten en parmantig door het huis lopen.

Af en toe worden wij er een beetje cynisch van als we op een snibbig toontje horen zeggen: “Nee! Ik is een prinses!”. Want de prinses gedraagt zich soms meer als een kenau dan als een lieflijke welopgevoede jongedame. Het idee dat adeldom verplicht, is nog niet geland. Datzelfde geldt ook voor onze hedendaagse ridder trouwens; die houdt wel van stoer doen en met een zwaard in het rond slaan, maar kijkt glazig als je begint over het beschermen van de zwakkeren en het opkomen voor recht in het samenleving (zelfs als je dat in kindertaal verwoordt).

Tot zover onze kinderen met hun rollenspel. Afgelopen zondag kregen wij zelf een lesje over dit onderwerp, aan de hand van de geschiedenis van de blinde Bartimeüs. Zijn naam betekent “zoon van de hoog geëerde”, maar die identiteit ging volkomen schuil achter zijn blind-zijn en de bijbehorende maatschappelijke status als bedelaar. Hij werd beschouwd als een bar-ti-mè, Aramees voor “onreine”. Zijn leven was dus een tegenspraak. Maar doordat juist deze blinde een helder zicht had op Jezus en Hem herkende als de lang beloofde Zoon van David, de Zoon van de hoogst geëerde, werd hij genezen. Door geloof in Jezus werd hij een echte “Bartimeüs”, een kind van God. Hij legde zijn bedelaarsmantel af en volgde Jezus op de weg – op Zijn weg naar het kruis. Hij liet zijn oude leven achter zich en droeg nu zijn ware identiteit als zoon van de hoogst geëerde.

Dat is een les om over na te denken. Zien wij Jezus zoals Hij echt is? Wat is onze ware identiteit? Bekleden we ons met de Heere Jezus Christus (Romeinen 13:14)? Zijn wij ons ervan bewust dat we door het geloof kinderen van God zijn – prinsen en prinsessen? En leven we daar ook naar, of is ons leven een tegenspraak?

Dietrich Bonhoeffer schreef hierover een prachtig gedicht.

Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich träte aus meiner Zelle
gelassen und heiter und fest,
wie ein Gutsherr aus seinem Schloß.
Wer bin ich? Sie sagen mir oft,
ich spräche mit meinen Bewachern
frei und freundlich und klar,
als hätte ich zu gebieten.

Wer bin ich? Sie sagen mir auch,
ich trüge die Tage des Unglücks
gleichmütig lächelnd und stolz,
wie einer, der Siegen gewohnt ist.

Bin ich das wirklich, was andere von mir sagen?
Oder bin ich nur das, was ich selbst von mir weiß?
Unruhig, sehnsüchtig, krank, wie ein Vogel im Käfig,
ringend nach Lebensatem, als würgte mir einer die Kehle,
hungernd nach Farben, nach Blumen, nach Vogelstimmen,
dürstend nach guten Worten, nach menschlicher Nähe,
zitternd vor Zorn über Willkür und kleinlichste Kränkung,
umgetrieben vom Warten auf große Dinge,
ohnmächtig bangend um Freunde in endloser Ferne,
müde und leer zum Beten, zum Denken, zum Schaffen,
matt und bereit, von allem Abschied zu nehmen?

Wer bin ich? Der oder jener?
Bin ich denn heute dieser und morgen ein andrer?
Bin ich beides zugleich? Vor Menschen ein Heuchler
Und vor mir selbst ein verächtlich wehleidiger Schwächling?
Oder gleicht, was in mir noch ist, dem geschlagenen Heer,
das in Unordnung weicht vor schon gewonnenem Sieg?
 
Wer bin ich? Einsames Fragen treibt mit mir Spott.
Wer ich auch bin, Du kennst mich, Dein bin ich, o Gott!


(uit: Dietrich Bonhoeffer. Widerstand und Ergebung)

Op verlof

Deze week grapten Johan en ik tegen elkaar: we zijn net zendelingen op verlof. “Dit is geen vakantie, we zijn nog drukker dan normaal!” We hadden dan ook welgeteld één week de tijd om al onze ouders, broers en zussen, opa’s en oma’s en een aantal vrienden op te zoeken. En tussendoor moesten zowel Johan als ik een dag op pad voor ons werk – Johan naar Nijmegen en ik naar het kantoor van GlobalRize in Oldebroek. We bekeken nieuwe huizen van familie, we praatten bij over allerlei nieuwtjes en toekomstplannen, de kinderen crossten op skeltertjes de camping over en redden een schaap dat in de sloot dreigde te vallen…

Pfoe

Maar het was heel fijn! Het was al weer een heel tijdje geleden dat we in Nederland geweest waren, en hoewel een aantal mensen ons tussendoor in Bad Krozingen had opgezocht, is dat natuurlijk niet voor iedereen haalbaar. Extra leuk om dan nu weer eens op bezoek te gaan. Dat kon ook relatief makkelijk omdat we met de auto waren. Die heeft z’n kilometertjes wel weer gemaakt deze week! En z’n kilootjes bagage vervoerd. Overal waar we kwamen, lag er wel iets klaar wat écht mee moest: een boek voor mijn verjaardag, een spelletje voor de kinderen, boeken om te lenen, een stapeltje bewaarde tijdschriften… En vooral VEEL pepernoten, ranja en pindakaas. Het bericht dat deze producten niet in Bad Krozingen verkrijgbaar zijn, is kennelijk wijd en zijd doorgedrongen.

Dus bij dezen: lieve mensen, we zijn rijkelijk voorzien voor de rest van dit jaar, en waarschijnlijk kunnen we zelfs tot de zomervakantie of nog langer vooruit 😉 🙂 Mogelijk komen we in de kerstvakantie weer naar Nederland met de trein, maar het is werkelijk onmogelijk om dan weer een zelfde hoeveelheid cadeautjes mee naar huis te slepen. Dus houd het bij gezelligheid en iets lekkers bij de thee tijdens ons “verlof” zelf 😉 Want net als echte zendelingen vinden we dat het leukst: even weer lekker “thuis” zijn bij onze familie en vrienden. Het was gezellig, bedankt allemaal!

Pop

Tot grote spijt van onze kinderen hebben wij geen echte huisdieren, maar we hebben wel speelgoeddieren. Judith heeft bijvoorbeeld zo’n houten trekhondje, dat bij vlagen heel geliefd is en dan overal mee naartoe mag. Eenzelfde lot is haar poppen beschoren. Ze kunnen zomaar wekenlang bloot in een hoekje liggen, maar af en toe zijn wordt dat ingehaald door een periode van liefdevolle verzorging. Ook deze week is er weer een pop aan de beurt. Hij of zij poept in z’n pamper (die dan in onze wasmand belandt), wordt met billendoekjes verschoond, maar kan ook al op het potje! Goed zo, wat knap! En hij zit níét met z’n handen aan z’n plas, want dat mag natuurlijk he-le-maal niet van mama Joetie. Stel je voor zeg…

Ik schreef “hij of zij”, want de persoonlijke gegevens van “pop” zijn een beetje privé. Toen Johan vroeg of het een jongen of een meisje was, kwam het verontwaardigde antwoord: “pop is een BABY!”. Ah, juist. En als iemand vraagt naar de naam van deze baby, kijkt Judith een beetje geërgerd, met zo’n blik van “houd je me nu voor de gek of snap je het écht niet?” Want kom op, pop heet natuurlijk gewoon “pop”. Net zoals haar knuffelpoes “Katze” heet, en haar knuffelkonijn afwisselend “Konijn” en “Hase” – al naar gelang hij zich in Nederlandstalig of Duitstalig gezelschap bevindt. Je moet dingen tenslotte ook niet complexer maken dan ze zijn.

En nu mag pop op reis. Hij ligt al klaar in de auto, met z’n pyjama en slaapzak aan. Want pop weet hoe het hoort, die gaat onderweg lekker slapen in plaats van zeuren “of we er al bijna zijn”. Hij mag logeren op de camping van oma Paula. (Nee, ze is niet de eigenaresse, maar opa en oma wonen tijdelijk op een camping tot hun nieuwe huis beschikbaar is). Er liggen ook al een paar snoepjes te wachten in de auto. Maar die zijn niet voor pop. Oh nee. Hij is nog véél te klein voor snoepjes. Die eet mama Judith lekker zelf op 😉

Drie

Onze jongste is zaterdag drie jaar geworden. Ze moet er zelf nog even aan wennen. Halverwege haar verjaardag kwam ze een beetje aarzelend naar me toe: “Mama, wat ben ik?” Ik keek haar wat bevreemd aan, en ze probeerde het nader uit te leggen: “Wat jije zei in de keuken”. Aha, toen begon het te dagen. Johan had geprobeerd haar te leren dat ze “drie” is, en daarbij ook het juiste aantal vingers op te steken. Maar ze was het goede woord kennelijk toch weer even vergeten. Toen ik het nog eens had voorgezegd stoof ze enthousiast naar haar verjaardagsvisite: “Ik is drie! Ik is nu drie!” 🙂

Wat een feest toch hè, zo’n verjaardag. En het leukste van alles was dat ze maandag mocht trakteren op de Kindergarten. We hadden samen chocolade-cupcakejes gemaakt, en daar had ik met botercrème wat gekleurde spikkeltjes en figuurtjes op geplakt. Mevrouwtje was er helemaal tevreden mee – maar aan het eind van de dag vond ik nog 3/4 cakeje in haar broodtrommel terug. “Ik vonne cakeje niet lekker!” Hmmmm. Het enthousiasme ging kennelijk meer om de mooie spikkeltjes dan om de cupcakejes. Maar het idee van een verjaardag en van trakteren blijft speciaal.

En ook cadeautjes krijgen blijft leuk. Verschillende mensen hadden vooraf al een kaart of een cadeautje bij ons laten bezorgen, en die hadden we natuurlijk allemaal zorgvuldig weggestopt tot Judiths verjaardag. Daardoor had ze ’s morgens vroeg een hele verzameling om open te maken en te bewonderen. Ze is gelukkig nog op de leeftijd dat ze zelfs van een paar nieuwe sokken razend enthousiast kan worden 😉 dus ze was helemaal in haar nopjes.

Maar jarig zijn is ook ontzettend vermoeiend. De volgende dag was onze grote meid helemaal afgedraaid, waardoor ze ’s middags een uitgebreide tuk deed. En vervolgens ’s nachts weer wakker was, en de volgende dag on-ge-loof-lijk chagrijnig. Gelukkig heeft ze nog bijna een jaar om weer bij te komen…

Øllebølle

Uuuuhh? Uhllebuhlle? Wablief? Een vriend uit de gemeente vertelde enthousiast over een echt Nederlandse lekkernij die hij zich herinnerde van een vakantie “rond Sylvester” aan de Noordzeekust. Aha. Wie Sylvester is mag Joost weten, maar onze beste vriend bedoelt natuurlijk gewoon oliebollen.

Dat oliebollen gewoon in olie gebakken deegbolletjes zijn was nog niet tot hem doorgedrongen. Dat “Øll” in øllebølle, dat heeft vast met “oud” te maken. En dan zijn dat vast bolletjes die je eet om oud-en-nieuw te vieren. Net als nieuwjaarskoeken. Ja dat klopt, maar het woord zit toch net even anders in elkaar.

Nog zoiets leuks. Onlangs was er iemand die vol enthousiasme vertelde dat hij die Nederlandse Goeda kaas zo lekker vindt. Elke keer als ze naar Zeeland op vakantie gaan om te genieten van zee en strand en “doenen”, dan smullen ze ook van Goeda-kaas. Waarop wij vroegen: “Zijn jullie dan ook al eens naar de kaasmarkt in Gouda geweest?” Hij staarde ons vol onbegrip aan. Dat er op anderhalf uur rijden van hun vakantieoord een stad was die vernoemd is naar die heerlijke kaas (uhh, wacht, andersom natuurlijk) dat was nog nooit in hem opgekomen. Mocht u volgend jaar een Duitse toerist met een grote glimlach en een paar kilo kaas door Gouda zien lopen, doe hem dan de groeten van ons.

Patronen

Van de week zat Hannah aan tafel en concludeerde heel filosofisch: “Mama, ik weet wat er met mij aan de hand is. Ik denk in patronen”. Nou, dat klopt. Ze vindt het bijvoorbeeld leuk om een patroon uit te vogelen omtrent onze tafelindeling. Het liefst heeft ze dat alle jongens naast elkaar zitten en daarna alle meisjes, of alle gasten aan de ene kant en ons eigen gezin aan de andere kant, of dat we precies om en om zitten. Als dat niet het geval is, heeft ze een probleem en moet ze een ingewikkelder patroon verzinnen zodat het toch weer klopt. (Gelukkig is ze niet zo neurotisch dat ze hier elke dag mee bezig is hoor, maar het komt regelmatig naar voren). Ik deed dat vroeger ook; ik ging bijvoorbeeld altijd zo de trap op dat m’n rechtervoet op die treden kwam waar links een noest zat, en m’n linkervoet op die treden waar rechts een noest zat. Waar je al niet op let, nietwaar… Kennelijk verveelde ik me toentertijd ofzo.

Toch vond ik het best knap van Hannah dat ze haar eigen gekkigheden kon abstraheren en dus tot de conclusie kwam dat ze graag in patronen denkt. Tot ik de volgende dag aan de thee zat bij één van haar leraressen, die me vertelde dat haar laatste les kunst over dit onderwerp ging. Ze hadden het gehad over patronen die je om je heen ziet, en vervolgens mochten ze met kastanjes en andere “schatten” een mooi patroon maken in het gras. Dat laatste had Hannah wel enthousiast verteld, maar dat werd samengevat tot “we mochten lekker buiten spelen met kastanjes en takjes”. Maar de essentie van de les was kennelijk toch ergens doorgedrongen, en brengt daar zelfreflectie op gang.

Een ander soort patronen dat mij deze week aardig heeft beziggehouden, zijn naaipatronen. Hannah groeit kennelijk nogal hard, dus veel van haar winterkleren zijn te klein geworden. Een deel van dat probleem heb ik gewoon lekker makkelijk opgelost door naar de winkel te gaan en daar wat kleren uit een rek te plukken, maar zelf naaien heeft toch ook z’n voordelen. Bijvoorbeeld dat je kleren een beetje kunt aanpassen aan je kind, zodat een jurk die qua wijdte goed zit ook een acceptabele lengte heeft. Zo ontwijk ik meteen ook de levensgrote Disneyfiguren of andere niet-helemaal-mijn-smaak prints. En ik weet zeker dat er geen kinderarbeid te pas komt aan het naaien van die kleding – 99% doe ik zelf en als er al meegeholpen wordt door een kind is dat voor 200% haar eigen idee en conflicteert het niet met haar kansen op gedegen onderwijs 😉

Ik heb dus m’n geliefde doosje met patroonbladen weer voor de dag gehaald en één en ander in elkaar gesleuteld. Want uiteraard wil ik nu iets met lange mouwen, en de helft van mijn patronen was eigenlijk voor de zomer bedoeld, en natuurlijk wil ik niet drie keer exact dezelfde jurk maken dus verzin ik er soms weer iets bij aan of laat ik iets weg. Bovendien heeft dochterlief zelf soms de meest curieuze wensen die ik toch ook een beetje probeer mee te nemen (zoals een grote geheime zak waar ze kastanjes in kan bewaren om er vervolgens jongens uit haar klas mee te bekogelen). En ik vind een naaiproject eigenlijk pas creatief als je “het doet met wat je hebt” – dat is tegenwoordig zelfs best in de mode geloof ik. Natuurlijk haal ik ook wel eens gewoon een lap stof bij de lokale stoffenwinkel, maar ik vond ook nog een lap die ik van iemand anders gekregen had en die al jaren had liggen wachten tot ‘ie eindelijk het daglicht eens mocht zien. Het was te weinig voor een complete jurk, maar de stoffenwinkel had nog iets liggen dat er goed bij paste en zo heb ik uit die oude lap en een restje van de winkel een heuse “jas van Jozef” gefreubeld – dat was Hannahs eerste reactie omdat er nogal wat kleurtjes in zaten en het zo’n model is met knopen van boven tot onder. Dat vind ik gewoon echt leuk, vooral als ik dan maar liefst 8 knopen nodig heb en net zo lang door mijn voorraad kan zoeken tot ik 8 passende exemplaren heb opgeduikeld. De meeste mensen vinden het waarschijnlijk volslagen idioot om een paar honderd knopen te hebben liggen als je nog helemaal niet weet waarvoor je ze gaat gebruiken, maar ik vind dat heerlijk. En ik gebruik ze ook echt 😉

En die knoopjes worden ook door onze jongste dame gewaardeerd. Waarschijnlijk vooral omdat het geen speelgoed is en ik niet wil dat zij mijn knoopjes overal rondstrooit, maar ook omdat je er… patronen in kunt ontdekken. Sorteren op kleur, sorteren op grootte, sorteren op het aantal gaatjes dat ze hebben… Liefst natuurlijk allemaal gelijktijdig, maar zo homogeen is mijn ratjetoe niet. Misschien is dat een mooie levensles: je kunt nog zoveel patronen willen ontdekken in het leven, maar ergens houdt het op. Je kunt niet alles in een stramien persen. Sommige dingen “kloppen” nu eenmaal niet, maar gebeuren toch.

Maar eerlijk is eerlijk; daarvoor hebben we die knoopjes eigenlijk helemaal niet nodig. Dat wordt al meteen duidelijk als je bij ons door de gang loopt en een wasrek ziet staan met 5 eenzame, allemaal verschillende, overgebleven sokken eraan. Ooit waren dat allemaal keurige setjes, maar gaandeweg verdwijnen er gek genoeg exemplaren. Zomaar, spontaan, zonder enig herkenbaar patroon. Gelukkig duiken ze soms ook weer op. Even spontaan en willekeurig – maar niettemin hartelijk welkom. Tot die tijd laat ik de eenzame sokken gewoon lekker hangen, en zijn de knoopjes veilig weggestopt in de kast.

Goudmijn

De grootste ergernis als wij bezoek krijgen, is het gebrek aan parkeergelegenheid in onze wijk. Openbare parkeerplaatsen zijn zeer schaars, langs de straat parkeren is verboden en wordt meerdere keren per dag beboet, en dus ben je aangewezen op je eigen privé-parkeerplaats. Alle moderne appartementencomplexen en hotels hebben daarom een ondergrondse garage, met ook een paar plekjes voor bezoek. Maar ons huis heeft dat niet. Zelfs voor de eigen bewoners zijn er te weinig plaatsen – een deel moet uitwijken naar de ondergrondse garage van de overburen. Maar in plaats van een parkeergarage heeft ons huis iets heel speciaals. Een ondergrondse goudmijn.

In deze omgeving zijn wel meer mijnen, hoewel ze nu grotendeels buiten gebruik zijn. Er werd onder andere gegraven naar ijzererts, zilver, koper en lood. Verschillende van deze “Bergwerke” zijn ook te bezoeken – dat staat nog op ons wensenlijstje voordat we in de toekomst weer naar Nederland willen verhuizen. Maar die mijn van ons is dus iets bijzonders. Meerdere keren per week breng ik daar een tobbe vol vuile was heen, en een poosje later komt het schoon weer omhoog. Toen de zomer begon, kwamen er ineens waterpistolen tevoorschijn en op het juiste moment ook een slaapzakken, luchtbedden en een gasbrandertje voor ons kampeer-avontuur. Nu de kou in de lucht hangt, vond ik er alvast warme sneeuwbroeken en winterjassen. Vooral Judith staat regelmatig te juichen als er weer nieuwe “schatten” bovengronds worden gehaald. Shirtjes, rokjes, jurkjes, vandaag zelfs een paar schoenen… van alles blijkt daar voorhanden te zijn, onvermoede rijkdommen die ze maar wát graag een plekje geeft in haar kast. We hebben er zelfs wel eens een splinternieuwe fiets gevonden – precies op tijd voor Boaz’ verjaardag. En zoals het een echte mijn betaamt, zijn er ook bijna fossiel geworden herinneringen aan het verleden. Dan bedoel ik niet de versleten tegeltjes die duidelijk al wat verbouwingen hebben doorstaan, maar een grote doos met “jeugdherinneringen” erop geschreven. Daarin liggen de kleurplaten en knutselwerkjes uit onze kindertijd te verstoffen tot ze weer eens worden opgediept. Om dan als echte schatten te worden bewonderd, en vervolgens opnieuw in hun doos te verdwijnen.

In volwassen ogen hebben we natuurlijk gewoon een heel saaie, praktische kelder die amper compenseert voor het gebrek aan parkeerplaatsen. Maar in kinderogen is die ondergrondse schatkamer iets heel bijzonders. Wij slapen boven een goudmijn 🙂

Over radicale idealen en vrije groepen

Wiskunde lijkt altijd zo abstract, los van de dagelijkse werkelijkheid. Het zweeft bijvoorbeeld ergens in de 38e dimensie – en daar bevind ik me doorgaans niet. Maar in een gesprekje met Johan kwamen we erachter dat er toch best wat “alledaagse” en begrijpelijke zaken zijn waar ook wiskundigen hun hoofd over breken (maar dan anders).

Toen ik zwanger was van onze eerste spruit, werd ik daar natuurlijk nogal door in beslag genomen. Als ik al aan iets anders dacht, dan enkel tot de volgende vlaag misselijkheid zich aankondigde. In die periode begeleidde Johan een vak over Galois-theorie, waarin de term “eindige separabele lichaamsuitbreiding” gebruikt werd. En zo waren we dus beiden met dezelfde thematiek bezig! Want mijn buikje breidde zich gestaag uit, maar bleef gelukkig binnen eindige grenzen. En de lichaamsuitbreiding bleek tot mijn vreugde separabel – anders had ik er nu nog steeds mee rondgelopen…

Ook een geliefd vrouwen-onderwerp: “een perfect lichaam”. Niemand heeft het, maar velen zijn ernaar op zoek. In de wiskunde is hiervoor een oplossing voorhanden: per definitie is een lichaam perfect als iedere eindige lichaamsuitbreiding separabel is. Vrij vertaald: zolang alles wat er aankomt er ook weer af kan, is alles oké. (Dat brengt de realiteit van een “perfect lichaam” misschien nog niet helemaal binnen handbereik, maar het biedt hoop).

Soms wordt wiskunde ook echt gevaarlijk. Dat heeft alleen niemand door, dat gebeurt achter de schermen van grote beurzen en op de achtergrond van invloedrijke algoritmes – of misschien bij berekeningen omtrent de nieuwste atoombommen of iets dergelijks. Tegelijkertijd zijn er een paar leuke anekdotes over wiskundigen die onterecht werden aangezien voor staatsgevaarlijke personen, puur door hun woordkeus.
In de wiskunde is een “vrije groep” een groep waarin geen relaties zijn. Zelmanov schreef daarover een boek, en werd prompt op het matje geroepen door de KBG. Vrije groepen waren ongewenst, en daarover boeken te schrijven was dus geen goed idee.
Twee andere wiskundigen waren onderweg van een conferentie naar huis, en raakten op het vliegveld in de problemen toen ze praatten over “blowing up a plane in eight points”. Wilden ze het vliegtuig opblazen?!? Welnee, ze bespraken alleen een meetkundige constructie die toegepast kan worden op een plat vlak. Oplettende medereizigers hadden snel de marechaussee ingelicht, waarna de wiskundigen aan de hand van een artikel dat ze bij zich hadden dit wiskundige concept aan de beveiligingsdiensten mochten uitleggen. Dat heeft ze vast nog een paar zweetdruppeltjes gekost, maar het is goedgekomen.
Soms hebben wiskundigen ook radicale idealen. Niet zozeer over de samenleving, maar in hun ringen – niet hun trouwring, maar een ring van getallen. Volkomen onschuldige bezigheid 🙂

De meeste wiskundige onderwerpen gaan mij al snel boven de pet. Toch zijn veel van die dingen “simpel”, en de constructies die je hiermee kunt bouwen zijn weliswaar iets complexer, maar nog steeds “semi-simpel”. In wiskundige ogen dan.

Maar soms, heel soms, zijn wiskundigen ook echt met heel praktische problemen bezig. Zo is er een volledig boek gewijd aan de vraag op hoeveel verschillende manieren je een stropdas kunt strikken. Het antwoord: 85. Dat is toch fijn om te weten, nietwaar?

Voor de insiders nog een plaatje ter afsluiting. Als je het snapt, is het daadwerkelijk grappig. Als je het niet snapt, had je waarschijnlijk toch al genoeg aan bovenstaande tekst 😉